zondag 28 februari 2021

'Zwarte mensen in de Nederlandse politiek zijn gewoon kruiwagens'

 Door Stuart Kensenhuis

In aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van dit jaar vertellen immigranten die voor 1980 in Nederland zijn komen wonen over hun eerste indrukken van de nieuwe leefomgeving en de politiek. Deze week:  kunstschilder Frank Creton (79) uit Amsterdam.

Den Haag – “Toen ik uit Suriname vertrok heerste er veel armoede. Als jongeman kon je daar niet aan de bak komen. Het was de tijd van het Eenheidsfront, de politieke beweging van David Findlay. In die periode was er ook veel discriminatie van lichtgekleurde creolen tegen donker gekleurde creolen uit de stad. De marrons uit het binnenland en de mensen uit de districten zoals Coronie, Nickerie en Para, hadden op hun beurt last van beide groepen stadscreolen. Ik heb het zelf meegemaakt want ik kom uit Coronie. Als je in de stad was kreeg je allerlei vernederende termen naar je hoofd geslingerd. Wat dat betreft vind ik dat racisme en discriminatie in Suriname vooral kwam van de stadscreool. Door Hindoestanen werd ik nooit gediscrimineerd. Echt nooit.”

Frank Creton. (® Frank Creton)

“Ik kwam met de boot in Nederland aan tijdens de zwaarste winter die dit land ooit heeft meegemaakt (1962/1963). In Amsterdam, waar ik door mijn neef Rudi Zevenbergen werd opgevangen, sneeuwde het dag en nacht. Je liep op straat en de sneeuw kwam tot aan je knie. Voor de trams liepen mannen om sneeuw te ruimen en als je was ingestapt was het net zo koud als buiten want die dingen hadden geen verwarming. Bovendien hadden ze houten vloeren en houten banken.”

“Niet lang na mijn komst ben ik gaan varen op de Zuid-Amerika lijn. Ik begon bij de civiele dienst. Later was ik salonbediende. In 1964 ben ik ermee gestopt omdat ik met drie Surinaamse vrienden naar Duitsland ben getrokken om te werken als colporteur. We gingen van deur tot deur om boeken te verkopen, een goede business want veel Duitsers hadden nog nooit zwarte mensen gezien en wilden graag iets van ons afnemen. Zo konden ze ook een praatje met ons maken. Daardoor heb ik wel goed Duits leren spreken. In 1972 ben ik terug gegaan naar Nederland.”

“Na mijn terugkeer ben ik professioneel gaan schilderen want als jongeman in Suriname stond ik al bekend als een talentvolle sneltekenaar. Hier in Nederland wilde ik eigenlijk een opleiding gaan volgen aan de Gerrit Rietveld Academie maar ik werd helaas niet aangenomen. Aan de Volksuniversiteit van Amsterdam heb ik wel les gekregen van kunstschilder Maarten Krabbé, de vader van acteur en filmregisseur Jeroen Krabbé. Hij zei tegen mij: ‘Frank ik ben hier niet gekomen om je te leren schilderen want dat kan je al. Ik ben hier om je te adviseren hoe je moet kijken en kleuren kan kiezen.’ Ik heb veel van hem geleerd.”

Frank Creton in 1964 bij het Paleis op de Dam.
 (® Frank Creton)

“In mijn jonge jaren bemoeide ik me niet met de politiek. Als ik een stembiljet kreeg gooide ik het meteen weg. Wel zag ik om me heen dat Nederlandse politieke partijen zwarte mensen gebruikten om stemmen te trekken binnen hun eigen gemeenschappen. Waren de zetels binnen dan deden ze verder niets voor ons. Ik heb het dan vooral over de PvdA. Zo kwam ik tot de conclusie dat zwarte mensen binnen de Nederlandse politiek gewoon kruiwagens zijn. Zwarte kandidaten vertellen aan hun achterban dat ze dit of dat voor ze zullen doen maar dat is gewoon niet waar. Ze kunnen namelijk alleen volgens het partijprogramma werken. Dus in principe houden ze de mensen voor de gek.”

"Je probeert toch ook een witte partij tientallen jaren achter elkaar?"

“Ik hield overigens wel van Den Uyl, de leider van de PvdA, maar ik vind niet dat zijn partij goed is geweest voor de Surinamers in Nederland. Sommige van mijn landgenoten dachten dat ze makkelijker dingen gedaan konden krijgen door hun stem aan de PvdA te geven maar ze vergaten dat ze zelf ook iets ervoor moesten doen. De Surinaamse- Nederlanders werden slap door de PvdA.”

“Eerlijk gezegd vind ik dat onze mensen moeten kiezen voor BIJ1 van Sylvana Simons of voor DENK. DENK zet de problemen van de Surinamers in Nederland op tafel. Keihard. Van Simons weet ik het niet helemaal zeker maar je kan het in ieder geval proberen. Je probeert toch ook een witte partij tientallen jaren achter elkaar? Nou dan vind ik dat je ook een keer die partij van deze zwarte vrouw kan proberen. Als een zwarte persoon of een andere migrant in een Nederlandse witte partij zit dan is hij aan handen en voeten gebonden. Hij kan niets zeggen of doen om zijn eigen mensen te helpen. Het zou mooi zijn als DENK en BIJ1 allebei in de Tweede Kamer komen want dan kunnen ze elkaar steunen.”


Dit artikel is mede mogelijk gemaakt door het Steunfonds Freelance Journalisten

zondag 21 februari 2021

'Piet Hein Donner vertelt moppen en heeft een grappige manier van praten'

 Door Stuart Kensenhuis

In aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van dit jaar vertellen immigranten die voor 1980 in Nederland zijn komen wonen over hun eerste indrukken van de nieuwe leefomgeving en de politiek. Deze week: Sandra Schipper uit Den Haag.

Den Haag – “Het was niet zo dat ik droomde over Nederland of dat ik dit land als een walhalla zag. Voor ik hier kwam wonen had ik namelijk al vaker gereisd naar andere plekken op de wereld. Wel had ik een paar duidelijke doelen voor ogen toen ik besloot om uit Suriname te vertrekken. Studeren en mijn vader vinden. Al tijdens de zwangerschap van mijn moeder in 1960 ging het mis tussen mijn ouders en niet veel later vertrok hij naar Nederland. Dus ik had hem nog nooit gezien.

Sandra Schipper rond 1984 en nu.  (® Stuart Kensenhuis)

“Op 11 juli 1979 kwam ik aan in Nederland en binnen 10 dagen vond ik mijn vader terug in Amsterdam. Viavia kwam ik erachter dat hij een import-export bedrijf had aan de Eerste Oosterparkstraat. Daar zat hij op z’n kantoor en ik liep gewoon naar binnen. Hij schrok. Later begreep ik waarom. Ik leek als twee druppels water op z’n zoon van een andere moeder. Toen hij me zag stond hij op en zei: ‘Je bent mijn dochter.’ Mijn vader was Hedwig Sedoc. Een paar jaar geleden is hij overleden.

“In die begintijd had ik trouwens veel moeite om de mensen te verstaan, zeker als ze plat Amsterdams spraken. Ik weet nog dat ik bij een bakkerswinkel stond aan de Nieuwendijk. De winkelier vroeg me iets: ‘Wat mot u? Brein, wit, roche of teiche brood?’ Hij sprak heel snel en achter me stonden mensen in een rij. Om er van af te zijn heb ik toen maar wat geantwoord. Thuis kreeg ik van mijn huisgenoten op mijn kop omdat ik tijgerbrood had gekocht. Wist ik veel.”

“Vond het overigens best wel goed georganiseerd in Nederland. Als je naar de bus liep dan hoefde je je nooit druk te maken of hij zou arriveren en hoe laat. Dat soort dingen.”


Sandra in 1979 bij het Okura hotel in Amsterdam. 
Daarnaast haar vader Hedwig Sedoc. 
Dan de schilder Frank Creton.


“Later ben ik gaan studeren aan de Hogere school voor Economische Studies (HES) aan het Raamplein in Amsterdam. Ik koos voor de Economisch Juridische richting (EJ). Verder betrok ik een studentenkamer op campus Uilenstede in Amstelveen en ik werd lid van een ‘Hollandse’ studentenvereniging met een kookdispuut. Toen heb ik voor het eerst rijst met prut gegeten, wat ik bijna niet door mijn strot kreeg. Prut was een mengsel van rijst met dikke pindasaus en taugé. Dat kwakte men dan weer op een bord rijst die overigens nauwelijks gaar was. Verschrikkelijk! Zelf kookte ik natuurlijk ook - bijvoorbeeld Surinaamse bami met kip – en uiteraard wilde iedereen graag bij me komen eten.” 

"De Nederlandse politiek heeft geen echte binding met mensen van kleur"

“Wat betreft de politiek: in Suriname was ik lid van de Nationale Jongeren Beweging (NJB) van de Volkspartij. Ruben Lie Pauw Sam was de partijleider. Ik gaf onder meer voorlichting aan jonge vrouwen.”

“Van de Nederlandse politieke situatie wist ik niet zo veel. Wel kende ik partijleider Joop den Uyl (PvdA), een man waar ik veel bewondering voor had. Ook Dries van Agt (CDA) viel me op. Ik vind hem een soort vader des vaderlands. Maar de leukste van allemaal vind ik Piet Hein Donner, onder meer voormalig minister van Justitie en vice-president van de Raad van State. Ik moest altijd om hem lachen want hij vertelt moppen en hij heeft een grappige manier van praten.

“Ik vind overigens dat er in de Nederlandse politiek geen echte binding is met mensen van kleur. We zijn niet goed vertegenwoordigd in de Tweede Kamer of in andere vertegenwoordigende lichamen. Ook heb ik de indruk dat er geen grote animo is om te gaan stemmen. Lange tijd heb ik me afgevraagd hoe dat komt. In de landen van herkomst is het enthousiasme om je verkiesbaar te stellen of te gaan stemmen namelijk wel groot. Komt het misschien omdat de mensen zich niet herkennen in de politieke kandidaten en hun partijen?

“Ik constateer wel dat politieke partijen rond verkiezingstijd de deuren platlopen om stemmen te ronselen bij specifieke groepen. Maar als ze gekozen zijn komen ze ineens niet meer. Ze zeggen dan dat ze moeten opkomen voor het algemeen belang en niet voor een specifieke groep kunnen kiezen. Maar merkwaardig genoeg komen ze bij de eerstvolgende verkiezingen opnieuw langs.


Dit artikel is mede mogelijk gemaakt door het Steunfonds Freelance Journalisten

zondag 14 februari 2021

'Wat die Nederlandse politici doen noem ik een toneelstuk voor het volk'

Door Stuart Kensenhuis

In aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van dit jaar vertellen immigranten die voor 1980 in Nederland zijn komen wonen over hun eerste indrukken van de nieuwe leefomgeving en de politiek. Deze week: Cornelius (Cor) James uit Den Haag.

Den Haag – “In augustus 1974 reisde ik met het vliegtuig via Sint Maarten en Curaçao naar Nederland. Op Schiphol stond mijn broer op me te wachten. Hij bracht me naar mijn hospita, een Surinaamse vrouw in het centrum van Den Haag die heel lekker kon koken.”



“Op die eerste dag kwam mijn nicht Jacky James langs om me te begroeten. Ze belde aan en ik liep met ontbloot bovenlijf naar beneden. ‘Ga een hemd aantrekken’, zei ze. Ik vroeg: ‘Waarom?’ Ze antwoordde: “Je bent hier niet op Sint Maarten. Bovendien ben ik hier met een goede vriendin.’ Naast haar stond Ingrid Houtman. ‘Doet het je zeer dat je mijn blote bast ziet”, vroeg ik gevat. ‘Wil je soms meer zien?’ Houtman vond dat geweldig. Sinds die dag was ik ook met haar goed bevriend. Ze vond me heel aardig want ik hou van lachen, brullen, gezelligheid en lekker eten. Een paar jaar geleden is ze helaas overleden. Maar we hebben echt een mooie vriendschap gehad waarin we veel leuke momenten met elkaar hebben meegemaakt.”

“Overigens kwam ik naar Nederland omdat ik rechter wilde worden. Op Sint Maarten was ik 2 jaar advocaat geweest en ik had me hier ingeschreven voor de RAIO-opleiding (Rechterlijk ambtenaar in opleiding). Maar eerst moest ik door een strenge selectie waarbij naar mijn ervaring klassenverschillen in de maatschappij een rol speelden. Ik herinner me nog de vragen van één van de examinatoren: ‘Wat voor werk doet uw vader?’ Ik zei: ‘Hij was bankwerker.’ Met grote ogen keek hij me aan. ‘Bedoelt u ingenieur?’ Ik antwoordde toen: ‘Nee.’ De vraag die toen kwam verraadde veel. ‘Hoe bent u dan advocaat geworden?’ Maar het ergste was een vraag over mijn moeder. ‘Als ze ziek is gaat u haar dan vaak opzoeken?’ Ik zei: ‘Ja natuurlijk.’ Er viel een doodse stilte en de examinatoren keken elkaar aan. Daarna reageerde één van hen: ‘Het is beter dat u teruggaat naar Sint Maarten want de RAIO-opleiding gaat te hard voor u zijn. Uw familie en kennissen moet u namelijk uit uw hoofd zetten.’ Ik ben toen opgestaan en vertrokken. Ik was boos en dacht; als Nederland zo is dan wil ik hier niet zijn.”

“Uiteindelijk is het niet zover gekomen want ik kwam een dame tegen die werkte op het Antillenhuis in Den Haag, bij het kabinet van de gevolmachtigd minister. Ze adviseerde me om een diplomatenopleiding te gaan volgen via de Universiteit van Amsterdam (UVA). Dat ben ik ook gaan doen. Een paar jaar later ben ik afgestudeerd.”

 “Er was een scheldpartij tussen een volksvertegenwoordiger en een minister”

Wat de politiek betreft uit die begintijd; de naam Joop Glimmerveen komt bij me op. Dat was een racistische politieke leider van de Nederlandse Volks-Unie. Wat me verder is bijgebleven is een ervaring tijdens een bezoek aan de Tweede Kamer. Ik volgde toen een debat en er was een scheldpartij tussen een volksvertegenwoordiger en een minister. Maar niet veel later stonden ze gezellig met elkaar te babbelen in de koffiekamer en namen ze samen iets te drinken. Ik was verbijsterd en vroeg me af hoe dit mogelijk was. Op de Antillen zouden ze echt ruzie hebben gehad en elkaar weken niet hebben gesproken.

“Wat die Nederlandse politici doen noem ik een toneelstuk voor het volk. Het is alleen bedoeld om aan de burgers te laten zien hoe hard ze voor iets gevochten hebben en hoe erg ze zogenaamd iets vinden. Het is niet waarachtig en betekent niet zo veel. Dat heb ik in mijn jaren in dit land wel geleerd.”

“Ik vind dat in de politieke orde van dit land teveel sprake is van systeemdenken en dit werkt in het nadeel van de burgers. Ik zal het illustreren met een voorbeeld tussen een Amerikaan en een Nederlander. Er ligt een plan om een brug te bouwen ergens bij een rivier. Een Hollander komt aan bij de ene oever en ziet een heleboel bomen. Hij zegt: ‘In het plan staat niets over bomen dus ik ga geen brug bouwen.' De Amerikaan komt bij dezelfde oever aan. Hij zegt: ‘We gaan meteen de bomen kappen want in het plan staat dat we hier een brug moeten bouwen.' De noden van de mens zien ze veel meer.”




Dit artikel is mede mogelijk gemaakt door het Steunfonds Freelance Journalisten




zondag 7 februari 2021

'Joop den Uyl viel me wel op want hij was bijna dagelijks op de televisie'

Door Stuart Kensenhuis

In aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van dit jaar vertellen immigranten die voor 1980 in Nederland zijn komen wonen over hun eerste indrukken van de nieuwe leefomgeving en de politiek. Deze week: Hariette Mingoen uit Zoetermeer.
 

 Hariette Mingoen in 1973 en nu (® familie Mingoen).  

“Op 31 augustus 1973 vertrok ik uit Suriname en de volgende dag kwam ik aan op Schiphol. Daar stond mijn zus op me te wachten. Ze bracht me naar de studentenflat in Leiden waar ze met haar man een echtparenunit huurde. Ik weet nog dat ik over een gang moest lopen naar een kamer waar ik tijdelijk mocht logeren. Aan die gang zaten minstens 8 andere studentenkamers en er hing een algemene telefoon aan de muur. Bijna elke ochtend werd ik wakker van dat ding want hij rinkelde soms al heel vroeg. De persoon die naar buiten was gerend en er achter kwam dat het gesprek niet voor hem of haar bedoeld was, klopte dan bij de buren op de deur en riep: ‘Er is telefoon voor jou!’”

“Wat ik me ook nog kan herinneren is dat ik de volgende dag achterop de fiets zat bij mijn zwager. Dat is overigens Sardie Mohamad, tegenwoordig gepensioneerd radioloog maar toen was hij student geneeskunde. Hij liet me zien waar de bakker was. Daar viel het me meteen op hoe vriendelijk de mensen waren. Iedereen die binnenkwam groette uitgebreid. In Suriname was ik gewend dat mensen voor hun beurt om aandacht vroegen van de winkelier, tot het onvriendelijke af. Verder was ik erg verbaasd hoeveel keuze ik ineens had aan brood. Meer dan bij ‘omoe snesie’ waar je alleen puntbroodjes kon halen.”

Mingoen op haar studentenkamer

“Later schreef ik me in bij Universiteit Leiden voor de opleiding sociologie, wat mijn voorkeur had omdat het een mensgerichte studie was. Ook daar had ik momenten dat ik me erg over dingen verbaasde. Onder meer tijdens de lunch met mijn Hollandse medestudenten. Ze hadden grote stapels boterhammen bij zich. Zowel de mannen als de vrouwen. Wel 10 sneetjes. Meestal dik belegd met kaas, vlees of iets anders. Ik dacht: ‘Jeetje, wat kunnen deze mensen eten zeg. Geen wonder dat ze zo lang zijn.’ Daar zat ik dan met m’n 2 sneetjes brood. Hou ook in gedachten dat ik uit een gezin kom met 11 kinderen. Mijn moeder kocht wel eens kaas voor onze boterhammen maar ze moest het raspen om te zorgen dat er voldoende was voor iedereen.”

“Studenten uit die periode waar ik veel contact mee had waren Gera Breebaart, Piet Breebaart (geen familie), Dick en Tineke Meiners, Edu Dumassy, Annette Noten, Eduard Jansen en Cees Clay. Er waren ook Surinaamse studenten bij zoals Ann Lemmert, Edmae Chandoe, Rinia Strok, Henry Winter en Ruben Gowricharn, later bekend als hoogleraar aan Tilburg University en aan de Vrije Universiteit Amsterdam.”

"De hele sfeer in het land was beïnvloed door linkse bewegingen"

Met politiek was ik in die periode niet echt bezig maar Joop den Uyl viel me wel op want hij was bijna dagelijks op de televisie. Hij was natuurlijk premier van het meest linkse kabinet dat Nederland ooit heeft gehad en politiek leider van de PvdA. Ik vond hem een begaafd spreker die heel stimulerend overkwam. Z’n mondbewegingen, die pretoogjes en zijn gebaren wanneer hij sprak, kan ik me heel goed herinneren.”

“Overigens vind ik dat de hele sfeer in het land op dat moment vooral beïnvloed was door linkse bewegingen en dat de PvdA een duidelijk profiel had. Sinds ik in Nederland ben komen wonen heb ik altijd op die partij gestemd. Maar tegenwoordig kan je ze niet meer onderscheiden van D66, GroenLinks of het CDA. Ik vind dat je bij een keuze voor een socialer Nederland niet meer bij hen terecht kan. Daarom heb ik bij de verkiezingen in 2017 op GroenLinks gestemd.”

“Eerlijk gezegd had ik een ander beeld van Nederland toen ik nog in Suriname woonde. Ik dacht dat dit het land was waar iedereen het goed had. Maar tijdens politieke debatten werd er vooral gesproken over het kleiner maken van het verschil tussen de hoge en de lage inkomens. Daar moest ik over nadenken en vervolgens keek ik naar mijn eigen omgeving. Ik zag bijvoorbeeld de Hollandse vuilnismannen en realiseerde me dat ze het relatief niet zo veel beter hadden dan hun collega’s in Suriname. Daarom spraken die discussies die in de politiek werden gevoerd om Nederland socialer te maken me erg aan. Dat gebeurde altijd met passie. Ook de discussies over ontwikkelingssamenwerking en het helpen van arme landen waren gepassioneerd. Gaandeweg is dat helaas anders geworden.”



Dit artikel is mede mogelijk gemaakt door het Steunfonds Freelance Journalisten



 

zondag 5 juli 2020

Open brief aan de Nederlandse regering: doe iets tegen institutioneel racisme

Vier vooraanstaande zwarte persoonlijkheden uit de wetenschappelijke en culturele sector, eisen in een open brief aan de Nederlandse regering dat er op landelijk en gemeentelijk niveau actie wordt ondernomen tegen institutioneel racisme. Het gaat om Ernestine Comvalius, onder meer bekend als directeur van het Bijlmer Parktheater in Amsterdam, Gloria Wekker, emeritus hoogleraar sociale en culturele antropologie aan Universiteit Utrecht en schrijfster van het boek ‘White Innocence: Paradoxes of Colonialism and Race (2016), Nancy Jouwe, onafhankelijk onderzoeker en publicist en Simone Zeefuik, schrijver en cultureel programmeur. De brief is verder ondertekend door eenentachtig personen uit allerlei lagen van de Nederlandse samenleving.  Lees de inhoud hieronder.  




‘Wij, de ondergetekenden, onderschrijven het statement van 23 juni jl. van KOZP (Kick Out Zwarte Piet. Red.)  waarin zij, als (mede-)organisatoren van de Black Lives Matter (BLM) demonstraties, hun ongenoegen uiten over het feit dat zij niet zijn uitgenodigd voor een gesprek met premier Rutte, die op 24 juni een gesprek voerde met andere betrokkenen. Net als KOZP zien we de uitnodiging als een afleidingsmanoeuvre om het niet te hebben over de oproepen van o.a. de EU (Europese Unie. Red.) en het ECRI (European Commission against Racism and Intolerace. Red.) om een nationale aanpak voor de bestrijding van racisme te formuleren.’

‘We maken een groot compliment aan de coalitie BLM-Nederland, een coalitie die intergenerationeel is (met een goede wisselwerking tussen generaties. Red), die bestaat uit mensen met verschillende religieuze, gender en seksuele identiteiten plus en die niet alleen maar in de Randstad maar door heel het land actief is. [Amsterdam, Rotterdam, Den Haag 2x, Utrecht, Groningen, Eindhoven, Nijmegen, Arnhem, Deventer, Almere, de Bijlmer, Leeuwarden, Emmen, Maastricht, Den Bosch, Tilburg, Middelburg, Diemen].’


"Wij zijn niet vergeten dat Black Lives Matter in 2013 is opgezet in de Verenigde Staten door drie zwarte vrouwen, van wie er twee queer zijn."

‘Ook wij vinden het zorgwekkend en ongehoord dat de mensen die aan de basis van BLM-Nederland staan, in eerste instantie niet waren uitgenodigd aan tafel. Zij hebben, in navolging van eerdere generaties, een traditie van zwart verzet en strijd op succesvolle wijze voortgezet en ervoor gezorgd dat Nederland is wakker geschud.’
‘De verlate uitnodiging die zij onlangs van premier Rutte hebben ontvangen, biedt echter een uitgelezen kans om even te temporiseren, zodat de organisatoren zich kunnen herpakken; om een landelijke discussie te voeren over een breed gedragen strategie en een eisenpakket; en om de agenda mede te bepalen.’

‘Niet alleen in de landelijke politiek maar ook op gemeentelijk niveau speelt een gebrek aan transparantie: onder welke voorwaarden komt wie aan tafel en hoe ziet de agenda er uit? Het kan wat ons betreft er niet meer om gaan dat zwarte mensen en mensen-van-kleur verhalen blijven vertellen over de pijn van racisme. Die tijd is voorbij.’

'De agenda is wat ons betreft als volgt. We vinden het cruciaal dat er vanuit landelijke en gemeentelijke overheden beleid en actieplannen worden gemaakt om institutioneel en alledaags racisme structureel aan te pakken in Nederland. Daarbij zal het “culturele archief. (1)” niet buiten beschouwing kunnen blijven. Dit alles zien we als een gezamenlijk proces en een gedeelde verantwoordelijkheid. Vanzelfsprekend horen daar ook budgetten bij.'

'Tot slot: wij zijn niet vergeten dat Black Lives Matter in 2013 is opgezet in de Verenigde Staten door drie zwarte vrouwen, van wie er twee queer zijn. Hun intersectionele aanpak onderschrijven wij volledig en staat wat ons betreft ook in Nederland centraal (2).'
  
1 Het “culturele archief” (Witte Onschuld, 2018) verwijst naar de manieren van denken en voelen over ras, die binnen de context van het koloniale verleden in ons allen aanwezig zijn en die tot op de dag van vandaag onze kennis, gevoelens en handelen ten opzichte van het witte zelf en de zwarte/ gekleurde ander in stand houden.

2 Intersectionaliteit is een manier van denken, ook in Nederland voortgekomen uit activisme, die rechtvaardigheid voorop stelt. In plaats van steeds slechts met behulp van één categorie, zoals bv. ras, over de samenleving of over onszelf na te denken, benadrukt (dit begrip. Red.) dat we ras altijd samen moeten denken met gender, klasse, seksualiteit, religie en lichamelijke/geestelijke validiteit (Botman, Jouwe en Wekker red. 2001). 

Ernestine Comvalius, Gloria Wekker, Nancy Jouwe en Simone Zeefuik. 

medeondertekend door:  
  1. Alfrida Martis 
  2. Ama Koranteng-Kumi, oprichter en directeur Bloei&Groei 
  3. Andre Reeder, filmmaker en community builder
  4. Aspha Bijnaar
  5. Axmed Maxamed, Dance With Pride
  6. Ayden Carlo
  7. Bettina Perremuto 
  8. Bibi Fadlalla, filmmaker
  9. Charl Landvreugd PhD, kunstenaar, onderzoeker, pedagoog
  10. Chinthia Landbrug, verzorgende IG/radio programmamaakster
  11. Clarice Gargard
  12. Dalea Pinas, maatschappelijk hulpverlener, coach, poet, actrice
  13. Deborah Telgt, manager kinderopvang, Debstory en eventplanner
  14. Domenica Ghiidei Biidu, strategisch adviseur diversiteit en inclusie
  15. Ellen-Rose Kambel, directeur Rutu Foundation
  16. Emilie van Heydoorn
  17. Esther Duysker, toneelschrijver, scenarist
  18. Fatlien Naar, flight attendant
  19. Frank Dragtenstein
  20. Grâce Ndjako
  21. Graziela Hunzel - Rivero
  22. Gery Mendes
  23. Guno Jones
  24. Gwen Denswil, creator Black Girl Be Safe
  25. Gyonne Goedhoop, producent en cultureel ondernemer - Concrete Blossom & TENT Rotterdam 
  26. Hasna El Maroudi
  27. Hedy Tjin
  28. Henry Does, arts en publicist
  29. Ida Does, filmmaker
  30. Iris Kensmil
  31. Jamilah Blom, pedagoog
  32. Janice Deul, fashion activist, journalist
  33. Jennifer Tosch, oprichter Black Heritage Tours
  34. Jillian Emanuels, De InstantPedagoog
  35. Joan Esajas, productieleider
  36. John Leerdam, cultureel activist, directeur Stg. Julius Leeft
  37. John Olivieira
  38. John Serkei
  39. Kimberley Piqué, PR & Marketing coordinator
  40. Lesny Heikerk, Msc., psycholoog
  41. Maayke Botman
  42. Marcellino van Callias, directeur La Fam Records
  43. Marjorie Boston
  44. Marvin Lispier, kredietbeoordelaar en peer coach
  45. Mauro van Callias, directeur La Fam Records
  46. Melissa Verboeket, Maction Business Events & Social Inspirators, Eventproducer
  47. Natalja Macnack, bestuurslid Tori Oso Utrecht Nathalie Emanuels
  48. Nathifa Elshot, Bijlmer Bookstore
  49. Nawal Mustafa, promovenda VU 
  50. Neske Beks
  51. Ray Blinker
  52. Olave Ndjuwane
  53. Onias Landveld, oud-stadsdichter Tilburg en theatermaker
  54. Otmar Watson, directeur Untold
  55. Patricia Kaersenhout, beeldend kunstenaar en activist
  56. Patricia Schor, docent Amsterdam University College, geaffilieerd onderzoeker Radboud Universiteit
  57. Peggy Gemerts, Full Color Entertainment
  58. Richard Kofi, Kunstenaar en programmeur Bijlmer Parktheater 
  59. Rolando Vázquez Melken, Associate Professor University College Roosevelt
  60. Romana Vrede, theatermaker. Documentairemaker. Schrijver.
  61. Rosalba Icaza, Associate Professor in Global Politics, Gender and Diversity, ISS
  62. Roy Wijks, adviseur en onderzoeker sociaal domein 
  63. Samora Bergtop, producent/actrice, Well Made Productions 
  64. Saundra Williams, artistiek leider AHK 
  65. Sayonara Stutgard
  66. Seada Nourhussen
  67. Sérènity Hanenberg, creative writer
  68. Sjariefa Kartodimedjo, OOP op Open School Gemeenschap Bijlmer
  69. Stephany Biezen, Going Social, cultureel ondernemer
  70. Surya Nahumury, coach en mentor
  71. Shishani Vranckx
  72. Sidra Shahid, docent Amsterdam University College
  73. Tosca Vrede, cultureel programmeur en spelontwikkelaar
  74. Twie Tjoa, socioloog
  75. Vesla Braafheid, projectmanager en docent
  76. Wim Manuhutu, docent geschiedenis VU 
  77. Xamirah Robert Msc., psycholoog 
  78. Yolande Zola Zoli van der Heide, curator Van Abbe museum
  79. Yomi Hitijahubessy, projectmanager, moderator en kunstenaar 
  80. Zawdie Sandvliet, docent Afro Nederlandse studies
  81. Zuwena Elshot, Bijlmer Bookstore en psycholoog  



dinsdag 19 mei 2020

Tienduizend euro als je je mond houdt over racisme en discriminatie op de Haagse Hogeschool


Door Stuart Kensenhuis

Fatima Faïd – raadslid van de Haagse Stadspartij (HSP)  stelt deze week vragen aan het gemeentebestuur over racisme en discriminatie op de Haagse Hogeschool (HHS). “Het is een opleidingsinstituut in een super diverse stad maar het is er niet veilig.”




Den Haag – ‘Boerkahoer’, schrijft een anonieme student in november vorig jaar op het grote scherm van de klas, tijdens een interactief werkcollege van Wasima Khan, toen docent recht aan de opleiding Bestuurskunde / Overheidsmanagement van de HHS en trotse draagster van een hoofddoek. Haar studenten hebben online ingelogd op Kahoot – een webtool voor quizzen, discussies of peilingen – en sommigen kiezen een afschuwelijke schuilnaam, bedoeld om haar te beledigen is haar stellige indruk. Khan is geschokt. Volgens haar heeft ze ook pseudoniemen voorbij zien komen als Geert Wilders, Zwarte Piet, Nouri is dood, 34 zuurstof en docent is gay. Woedend vraagt ze aan haar studenten om de ongepaste inlognamen weg te halen. “Ik heb verder specifiek gevraagd wie dat eerste scheldwoord heeft opgeschreven maar niemand heeft gereageerd”, zegt Khan. 

Aangeslagen vervolgt ze de les. Tijdens een korte pauze komt een student [naam bij de redactie bekend (nbrb)] naar haar toe en hij stelt een vraag: “Daar stond toch boerkahoer?” Daarna loopt hij lachend weg. Khan is net zo verbijsterd als eerder in de les maar door haar hoofd gaat een belangrijke vraag. Hoe kan je spreken van een veilige leeromgeving voor iedereen op de HHS als dit soort uitlatingen zonder serieuze gevolgen kunnen worden gedaan? 

Na de les heeft ze telefonisch contact met de opleidingsmanager en er wordt een persoonlijk gesprek gepland. Hierbij is ook aanwezig de coördinator van het eerste jaar en de mentor van de student die in de pauze naar haar toekwam. Of dit ook dezelfde student is die aanvankelijk dat schandelijk woord op het scherm schreef is nog steeds niet duidelijk. Veel steun ervaart ze niet tijdens het gesprek en ook niet als er een bijeenkomst is met collega-docenten om het voorval te bespreken. “Ze waren stil of terughoudend”, zegt ze. Maar er blijft toch iets hangen; het verhullend bij haar zoeken naar zaken die duiden op een gebrek aan didactische vaardigheden. Dat doet bij haar extra pijn. 

Uiteindelijk heeft de opleidingsmanager later een gesprek met de student die zo ‘stoer’ deed in de pauze – waar Khan overigens niet bij mocht zijn – maar het wordt al gauw erop gegooid dat er bij hem sprake is van een gedragsstoornis en dat hij het gebruik van het woord boerkahoer niet beledigend bedoelde. Grapje zeker. Waar hebben we dit eerder gehoord? Begrijpelijkerwijs voelt Khan zich onveilig. Ze vertelt ook over een ander incident toen ze in februari vorig jaar een briefje op haar bureau vond met de term ‘nazi-slet’ en het zou zomaar kunnen dat ze opnieuw te maken krijgt met grensoverschrijdende uitlatingen. Kan ze dan wel op de steun rekenen van haar directe leidinggevenden en collega’s? 

Ten einde raad besluit ze het hogerop te zoeken bij de faculteitsdirecteur. Zij besluit dan om de zaak af te handelen en de ‘foute’ student een schriftelijke waarschuwing te geven. Is dan al bekend wie het scheldwoord op het scherm van de klas heeft geschreven? Nee want pas na zes weken besluit de opleidingsmanager om Kahoot een kort mailtje te sturen. Al gauw wordt duidelijk dat – wil hij eventueel iets gedaan krijgen – er een aangifte moet liggen van de HHS. Blijkbaar is dit obstakel hem teveel want hij laat de zaak verder rusten. “Ik vind dat er niet snel genoeg is gereageerd en dat er onvoldoende maatregelen zijn genomen”, zegt Khan verontwaardigd.

“Na mijn overwinning hebben ze geprobeerd om me kapot te maken"

Angstdromen duiken op van dertien jaar geleden toen twee docenten – Ram Ramsahai en Peter Ramlal - een klacht indienden bij de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) over racisme en discriminatie op de HHS en volledig gelijk kregen. Wat opvalt in het schriftelijk oordeel van de CGB over Ramlal is dat zijn klachten bijna stelselmatig door leidinggevenden op de HHS werden weggezet als een gebrek aan professionaliteit of niet serieus werden genomen. Pijnlijk is om te lezen hoe hij drie jaar lang bijna dagelijks minachtende opmerkingen moest aanhoren over zwarte mannen – een groep waar hij gemakshalve ook onder werd gerangschikt  door een witte vrouwelijke collega, tevens zijn kamergenoot. Bovendien werd hij door haar, ten overstaan van studenten en een docent, voor aap uitgemaakt. Op basis van alle bewijzen kon de CGB dan ook niet anders dan tot het oordeel komen dat de HHS verboden onderscheid had gemaakt op grond van ras en dat de docenten onvoldoende waren beschermd. 

Na het oordeel van de CGB is Ramlal merkwaardig genoeg tot 2018 bij de HHS blijven werken terwijl Ramsahai al snel er voor koos om te vertrekken. Als Ramlal hoort over de zaak van Wasima Khan is hij meteen bloedlink en even later komt hij met een verrassende mededeling. “Na mijn overwinning hebben ze geprobeerd om me  kapot te maken – weer door verboden onderscheid te maken op grond van ras – en ben ik samen met een andere collega (nbrb) twee jaar geleden naar het College voor de Rechten van de Mens gestapt (CRM is de opvolger van de CGB). Eind mei van dit jaar komen ze met een oordeel”, vertelt hij. 

Ramlal laat een brief zien uit 2019 met een voorstel van de HHS om de zaak af te kopen voor tienduizend euro met als voorwaarde dat hij nooit meer erover mag praten. Verontwaardigd wijst hij het voorstel af en stuurt hij een verklaring aan het CRM: “Het voorstel deed onvoldoende recht aan mijn jarenlange ervaring met racisme en discriminatie op de HHS. Het komt op mij over als een doofpotactie en getuigt van onvoldoende besef van de ernst van de klacht en de traumatische gevolgen voor de slachtoffers”, schrijft hij. “Verder ontbreekt er een serieuze toezegging om er voldoende werk van te maken dat deze problemen niet meer op de HHS voorkomen.”

Raad van Europa

‘Iedereen heeft de verantwoordelijkheid om ‘racisme en discriminatie’ kritisch te volgen en aan te pakken’, staat op de website van De Raad van Europa. Dit invloedrijk Europees orgaan geeft ook enkele praktische aandachtspunten bij het ontwikkelen van beleid hierover en dit vormt een goede basis om de acties – of het gebrek hieraan – van de leidinggevenden van de HHS langs de meetlat te leggen.

      Er moet een duidelijke verklaring worden afgelegd – vooral bereikbaar voor iedereen binnen de schoolgemeenschap  waaruit blijkt dat racisme en  discriminatie niet wordt getolereerd. 
    In het beleid moet helder gemaakt worden welke procedures verplicht zijn als zich een incident voordoet met betrekking tot racisme of discriminatie. 
    Het beleid, inclusief de processen en overeengekomen acties voor het omgaan met incidenten, moet zich uitstrekken tot alle leden van de onderwijsgemeenschap; bestuurders, personeel (docenten en andere medewerkers), studenten en bezoekers.    
    Voor iedereen moet het helder zijn dat ze een eigen verantwoordelijkheid hebben – in elk geval binnen de schoolgemeenschap  om racisme en discriminatie aan te pakken. 
      De aanpak van een incident met betrekking tot racisme of discriminatie moet samenhangend en niet tegenstrijdig zijn. 
    De reactie op een incident met betrekking tot racisme of discriminatie moet worden gegeven vlak nadat het zich voordoet of wordt gemeld.
    Eventuele vervolgacties op een incident moeten plaatsvinden binnen een van tevoren overeengekomen tijdschema. 


Het is allemaal geen ‘rocket science’ als je alle betrokkenen bij de HHS wil beschermen tegen het kwaad dat inmiddels wijdvertakt is in de Nederlandse samenleving maar door velen simpelweg wordt ontkend. Voor wat het waard is; na de uitspraak in 2008 m.b.t. de zaak Ramlal/Ramsahai tegen de HHS heeft de CGB in 2009 een breed onderzoek laten doen naar racisme en discriminatie op de HHS. Kernvraag hierbij was: is er sprake van systeemdiscriminatie of stelselmatig onderscheid op grond van ras en wat zijn de mogelijke verklaringen. De adviezen in het rapport met de titel ‘Onderzoek naar discriminatie op de Haagse Hogeschool’ komen goed overeen met de aanbevelingen van de Raad van Europa. Zou je denken dat de HHS sinds die tijd wel racisme en discriminatie serieus neemt en adequaat handelt na een incident?

"Je bent hier te gast dus gedraag je naar je positie" 


Een student (nbrb) – die vanwege mogelijke represaillemaatregelen anoniem wil blijven - is daar in ieder geval niet van overtuigd. Hij vertelt over een klacht die hij had ingediend tegen een docent (nbrb), die volgens hem, stereotyperende en discriminerende uitlatingen had gedaan. “De eerstvolgende keer dat ik een werkstuk inleverde kreeg ik een onvoldoende. Ik vermoedde dat ik terug werd gepakt dus later heb ik hetzelfde werkstuk door een collega-student laten inleveren. Er waren alleen enkele kleine wijzigingen aangebracht, waaronder de titel, maar die student kreeg wel een voldoende”, vertelt hij. Ook vertelt de anonieme student over een voorval met een andere docent (nbrb) die het duidelijk niet kon hebben dat een Marokkaanse studente kritisch was tijdens een inhoudelijke discussie. “Hij viel naar haar uit en zei: ‘Je bent hier te gast dus gedraag je naar je positie’.” 

Pijnlijk om aan te horen – zeker in deze tijd met een dramatisch docententekort – is de opmerking van deze anonieme student dat hij minimaal zeven docenten (nbrb) kent uit de migrantengemeenschap die in de afgelopen jaren zijn gestopt met de uitoefening van ‘het vak’ en bij de HHS zijn vertrokken of op het punt staan dat te doen. “Ze hebben allemaal verteld waar ik bij was dat racisme en discriminatie hiervan de reden was”, zegt hij. Over de kwaliteit van de klachtenafhandeling is de anonieme student ook helemaal niet te spreken. Ondanks gesprekken met de belangrijkste aanspreekpunten van zijn opleiding is er verder niet zo veel gebeurd. Iedereen blijft in zijn positie, er volgt geen excuus en men gaat verder alsof er niets aan de hand is. “Ik vind dat de HHS niet goed met racisme en discriminatie omgaat. Ze schrijven zelf of werken mee aan 'mooie berichten' - zoals vorige maand in een AD-artikel over de discriminerende uitingen aan het adres van docent Wasima Khan (zie de link) - en daar blijft het bij. Vaak wordt er slecht gecommuniceerd en is er geen follow-up. Als ze met een reactie komen dan is het omdat ze niet anders kunnen”, zegt hij.

Typerend wellicht voor de manier waarop de HHS met dit vraagstuk omgaat is een gesprek tussen Leonard Geluk, op dat moment nog voorzitter van het college van bestuur(CvB) en Rudy van der Beek, student Public Management en Integrale Veiligheidskunde. Van der Beek voert het gesprek op persoonlijke titel en staat nadrukkelijk los van zijn vele nevenactiviteiten, onder meer als voortrekker en vertegenwoordiger van studentenbelangen. “Ik had aan Geluk een brief geschreven omdat ik signalen had ontvangen van docenten en studenten met een bi-culturele achtergrond dat zij zich buitengesloten voelden of te maken kregen met racisme of discriminatie. In het gesprek sprak ik mijn verontrusting erover uit en vroeg om maatregelen. Geluk had het over het instellen van een taskforce. Het probleem is dat ik hem op een maandag sprak en twee dagen later was zijn laatste dag op de HHS. Dus ik heb er verder niets over gehoord”, vertelt Van der Beek. Je zou denken dat zo’n brief wordt overgedragen en dat bijvoorbeeld een ‘tussenpaus’ met Van der Beek hierover communiceert. Helaas.


Fatima Faïd van de HSP
Volgens Fatima Faïd van de HSP is er reden genoeg om schriftelijke vragen te stellen aan het gemeentebestuur. “Dertien jaar geleden waren er heftige incidenten en de slachtoffers hebben gelijk gekregen. Als ik dan nu lees dat de HHS in die dertien jaar niet veel heeft gedaan dan ben ik geschokt. Het is een opleidingsinstituut in een super diverse stad en het is er niet veilig. Naar aanleiding van het artikel in AD (zie link) hebben we signalen ontvangen van studenten en docenten. Het kan niet zo zijn dat zij met racisme of discriminatie te maken krijgen en ziek thuis zitten en de HHS alleen maar roept dat ze een commissie in het leven gaan roepen”, geeft ze als toelichting.  

Tenslotte: los van de zeven docenten die volgens de anonieme student in de afgelopen jaren zijn vertrokken of op het punt staan dit te doen, is docent Wasima Khan per februari van dit jaar ook opgestapt bij de HHS. Onlangs heeft ze bovendien een klacht ingediend bij het CRM. Over de reden hoeft niemand naar te gissen. 


Artikel in AD/Haagsche Courant van 22 april 2020

vrijdag 4 oktober 2019

Als je recht wil praten wat krom is

Door Marjolein van Pagee (gastredacteur)


Twee dagen geleden was ik aanwezig bij de opening van de tentoonstelling ‘Dossier Indië’ in het Wereldmuseum in Rotterdam. Alle hotemetoten waren aanwezig, inclusief Ingrid van Engelshoven, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.



(Marjolein van Pagee, fotograaf, historicus en publicist)


Wat ik ervan vond? Het woord ‘ self-congratulation’ kwam bij mij naar boven. Iedereen die bij de organisatie betrokken was en aan het woord kwam feliciteerde zichzelf voor het benoemen van de zwarte bladzijden van onze koloniale geschiedenis. Ze vonden het bewonderenswaardig van zichzelf dat ze niet in de val zijn getrapt van ‘tempo doeloe’ (Door witte mensen beschreven geschiedenis van Indonesië in de negentiende –en twintigste eeuw, en spreekt vooral over een gelukkige tijd). Dat was toch wel een schouderklopje waard. Ondertussen gingen ze een nauwe samenwerking aan met het Indisch Herinneringscentrum in Den Haag. Onze Stichting Histori Bersama – notabene gevestigd in Rotterdam – is niet benaderd.

Ik was er samen met Jeffry Pondaag van Stichting Komitee Utang Kehormatan Belanda (K.U.K.B.), die net die dag te horen had gekregen dat zijn harde werk niet voor niets is geweest. De kinderen van de geëxecuteerde mannen uit Zuid-Sulawesi werden door de rechtbank in Den Haag in hun gelijk gesteld. De staat mag zich niet beroepen op verjaring van de misdaden. Ook werd het hoger beroep van de Staat afgewezen voor wat betreft de zaak Yaseman (Indonesiër die in juli 2017 aan Rechtbank Den Haag vertelde dat hij in 1947 in gevangenschap was gemarteld door Nederlandse militairen, door middel van elektrische schokken, volgieten met water en slaag met een stuk hout. Ze dachten dat hij vocht voor het Indonesische leger). Toch wel een doorbraak. Het werd zelfs even genoemd tijdens de opening.

Ook aanwezig was Francisca Pattipolohy (93 jaar), een vrouw die de koloniale realiteit (Lees: wreedheid) aan den lijve heeft ondervonden.

Maar al die confronterende foto’s ten spijt, het was voor mij een tentoonstelling die zich in de lijn stelt van het door de overheid gefinancierde onderzoek naar oorlogsmisdaden in 1945-1949, waar Pondaag en Pattipilohy zich al geruime tijd tegen uitspreken, zonder dat ze overigens een fatsoenlijk podium krijgen. 

Wat mij opvalt is dat het benoemen van de heftigheid van het kolonialisme tegenwoordig een acceptabele mening is. Het is alsof de Nederlanders zich voor het eerst realiseren dat het toch wel bruut was. De curatoren van deze tentoonstelling lijken te denken dat door het gebruik van confronterende beelden het dan niet koloniaal kan zijn. Terwijl ze ook zouden moeten invoelen dat al die heftige en vernederende foto’s heel confronterend zijn als je niet-wit bent. Zo banjeren ze ook over trauma’s heen. In een gesprek met de directeur probeerde Pondaag dit punt te maken, hij zag de slachtoffers waar zijn stichting voor opkomt niet respectvol vertegenwoordigd in deze tentoonstelling.

Toen ik de begeleidende tekst las over de Bersiap (Uiterst gewelddadige periode van 1945-1947 tussen Nederland en Indonesië), wist ik genoeg … ‘violence on both sides’… Met dat principe probeert Nederland al heel lang recht te praten wat krom is.

Over de tentoonstelling en de gastredacteur (Red.)
Met Dossier Indië toont het Wereldmuseum de geschiedenis van het gekoloniseerde Indonesië van de laatste 100 jaar. De vroegste foto’s schetsen een droombeeld van een prachtig Indie. De tentoonstelling laat zien hoe er door fotografen uit de negentiende eeuw bewust en onbewust een mythisch beeld van de kolonie werd gecreëerd. Aan het einde van de negentiende en in de twintigste eeuw veranderden de foto’s van karakter en ontstaat er een scherper beeld van de maatschappelijke verhoudingen. Het perspectief verschuift van de Nederlandse kolonialen naar de gekoloniseerde Indonesiërs. De tentoonstelling is te zien vanaf 2 oktober in het Wereldmuseum in Rotterdam.

Marjolein van Pagee is fotograaf, historicus en publicist. Ze volgde een master koloniale Wereldgeschiedenis aan de Universiteit van Leiden. 

zondag 8 september 2019

Zelfreflectie nodig in de Kunsten

Door Ernestine Comvalius (gastredacteur)

"Het diversiteitsbeleid in de cultuursector is faliekant mislukt.” Deze opvallende zin stond vorige maand in een artikel van NRC (Stop met opdringen witte cultuur) en is van Clayde Menso en Melle Daamen. Allebei hebben ze ruimschoots hun sporen in de culturele sector verdiend, onder meer als theaterdirecteur. Ze schrijven verder dat niet alleen qua publiek maar ook wat betreft organisatie gesubsidieerde theaters, concertzalen en musea, overwegend witte bolwerken blijven. Bovendien hekelen ze de argumenten die de gevestigde instellingen opvoeren om het diversiteitsbeleid echt vorm te geven. Zoals:  ‘Ze zijn er niet. Ze willen of kunnen niet. We hebben meer tijd, geld en best practices nodig.‘

Ernestine Comvalius



Als theaterdirecteur ben ik 20 jaar getuige van en deelnemer aan de discussie over de noodzaak van diversiteit en inclusie in de kunstensector. Het is verbluffend dat de excuses als een mantra worden herhaald. Terwijl ik dit schrijf hoor ik de echo van degenen die vinden dat er wel stappen zijn gemaakt. Er zijn nieuwe personen van kleur aangetreden als managers, de biastrainingen van bijvoorbeeld de Nederlandse Associatie voor Podiumkunsten worden goed afgenomen en er zijn legio voorbeelden van goede initiatieven.

De conclusie van Menso en Daamen dat het diversiteitsbeleid is mislukt, komt bij sommigen hard aan. De vraag is of er fundamenteel iets is veranderd in de afgelopen 20 jaar en of we blij moeten zijn met goede intenties, tijdelijke initiatieven en de trage stappen vooruit. Vele directeuren in de kunstwereld verkrampen bij de onvermijdelijke vernieuwing die nodig is om de organisatie en de programmering inclusief, representatief en relevant te maken dan wel te houden. Continu klaagt men over ‘een taak erbij’ of men noemt het ‘een verzwaring’ of dat het is ‘opgelegd door de gemeente’.

Ik neem deel aan verschillende directieoverleggen in Amsterdam en daarbuiten en hoor de weerstand en het gesteun aan. Ik denk niet dat men erbij stilstaat wat dit voor mij en andere personen van kleur in leidinggevende posities betekent. De gemeenschappen waar wij uit voortkomen worden enorm geproblematiseerd door personen die machtsposities bekleden. Meestal laten wij niet merken dat dit ons raakt. Beheerst gaan we het gesprek aan en geduldig verwoorden wij onze visie. Dat heb ik 20 jaar lang gedaan maar nu kies ik er voor om deze gesprekken niet meer lijdzaam te ondergaan. Ook al ben ik negen van de tien keer de enige zwarte vrouw in het gezelschap, dan nog zal ik de kritische vraag stellen: “Hoezo een taak erbij?” 

Niet zo lang geleden sprak een theaterdirecteur in een vergadering haar ongenoegen uit over jonge talenten van kleur omdat ze volgens haar altijd vinden dat ze gediscrimineerd worden en dat er altijd zo’n spanning ontstaat bij een grapje over ras of afkomst. Waarom kunnen ze niet alles van zich afzetten en gewoon doen, vroeg ze. Wat mij betreft laat ze hiermee zien dat ze een gebrek heeft aan historische kennis, geen inzicht heeft in bestaande machtsstructuren en iets tekort komt aan interculturele sensitiviteit.
  
Een ander voorval is de roep van een theaterdirecteur tijdens een conferentie. Volgens hem zou het fijn zijn als zwarte makers universele stukken produceerden die niet telkens het zwart-witprobleem adresseerden of hun positie in de samenleving. Ook deze spreker had geen besef van het dominante superieure perspectief van waaruit hij sprak. Universeel wordt gedefinieerd vanuit een westers perspectief. Het doet mij denken aan het interview met Toni Morrison waarin haar gevraagd wordt of zij ooit van plan is om witte personages centraal te stellen in haar boek. Haar antwoord is: begrijp je hoe racistisch deze vraag is. Zou je aan een witte schrijver ooit vragen wanneer hij van plan is om eindelijk eens over zwarte personages te schrijven? De vraag impliceert dat Morrison pas dan de status van een schrijver waard is. Menso en Daamen zijn voorstander van een ‘beleid dat gericht is op het bieden van ruimte aan verscheidenheid en (echte) diversiteit.’ Zij pleiten voor de bereidheid om macht en middelen te delen.

Met de voorbeelden die ik hierboven heb beschreven wil ik aantonen dat zolang er sprake is van superioriteitsdenken en een gebrek aan echte belangstelling voor andere kunstuitingen en perspectieven, de gewenste radicale verandering en de bereidheid om macht en middelen te delen zal uitblijven of in beperkte mate een kans zal krijgen. De vraag is in hoeverre de kunstwereld onderkent dat er sprake is van een dominant westers perspectief en in hoeverre men bereid is om daar kritisch op te reflecteren en op gelijkwaardige wijze met cultureel diverse makers in dialoog te gaan en andere perspectieven toe te laten. De instellingen binnen de kunstsector die niet sneller gaan meebewegen met de veranderende samenleving, kunnen op termijn hun relevantie voor grote delen van de samenleving verliezen en daarmee komt ook hun bestaansrecht in gevaar.

Touria Meliani, wethouder cultuur in Amsterdam, heeft in haar contourennota aangegeven dat representatie en inclusie leidend zijn in het Kunstenplan en dat zij voorstander is van een eerlijker verdeling van publieke middelen. De roep uit het kunstveld om meer geld als voorwaarde voor diversiteit en inclusie was teleurstellend, evenals de achterhaalde en uitgekauwde suggestie dat diversiteit en inclusie ten koste gaan van de kwaliteit in de kunsten. 

Vanuit het Cultuur Consortium Zuidoost, aangevoerd door CBK Zuidoost, Imagine IC en het Bijlmer Parktheater, hebben wij afstand genomen van dit geluid en een eigen reactie uitgesproken tijdens de vergadering van de Raadscommissie cultuur. Samen vertegenwoordigen wij 60 jaar ervaring op het gebied van programmering met én autonome kwaliteit én breed publieksbereik, betoogden wij. Voor ons zijn representatie en inclusie gedurende al die jaren de rode draad door ons werk. Onze expertise bouwden wij op in een tijd waarin de kunstensector neerkeek op ons werk in Amsterdam Zuidoost. Overigens hebben wij tijdens die raadsvergadering onze bereidheid uitgesproken om kennis te delen.  

Diversiteit en inclusie gaan over machtsdeling en representatie, maar vooral ook over de verrijking en vernieuwing van de kunsten in een onafwendbare ontwikkeling waarin de kansen voor het oprapen liggen. Daarvoor is zelfreflectie nodig, dat continue durven bevragen van gehanteerde referentiekaders. En niet te vergeten, de verbeelding. Is verbeeldingskracht niet een kernkwaliteit van de kunsten?