vrijdag 4 oktober 2019

Als je recht wil praten wat krom is

Door Marjolein van Pagee (gastredacteur)


Twee dagen geleden was ik aanwezig bij de opening van de tentoonstelling ‘Dossier Indië’ in het Wereldmuseum in Rotterdam. Alle hotemetoten waren aanwezig, inclusief Ingrid van Engelshoven, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.



(Marjolein van Pagee, fotograaf, historicus en publicist)


Wat ik ervan vond? Het woord ‘ self-congratulation’ kwam bij mij naar boven. Iedereen die bij de organisatie betrokken was en aan het woord kwam feliciteerde zichzelf voor het benoemen van de zwarte bladzijden van onze koloniale geschiedenis. Ze vonden het bewonderenswaardig van zichzelf dat ze niet in de val zijn getrapt van ‘tempo doeloe’ (Door witte mensen beschreven geschiedenis van Indonesië in de negentiende –en twintigste eeuw, en spreekt vooral over een gelukkige tijd). Dat was toch wel een schouderklopje waard. Ondertussen gingen ze een nauwe samenwerking aan met het Indisch Herinneringscentrum in Den Haag. Onze Stichting Histori Bersama – notabene gevestigd in Rotterdam – is niet benaderd.

Ik was er samen met Jeffry Pondaag van Stichting Komitee Utang Kehormatan Belanda (K.U.K.B.), die net die dag te horen had gekregen dat zijn harde werk niet voor niets is geweest. De kinderen van de geëxecuteerde mannen uit Zuid-Sulawesi werden door de rechtbank in Den Haag in hun gelijk gesteld. De staat mag zich niet beroepen op verjaring van de misdaden. Ook werd het hoger beroep van de Staat afgewezen voor wat betreft de zaak Yaseman (Indonesiër die in juli 2017 aan Rechtbank Den Haag vertelde dat hij in 1947 in gevangenschap was gemarteld door Nederlandse militairen, door middel van elektrische schokken, volgieten met water en slaag met een stuk hout. Ze dachten dat hij vocht voor het Indonesische leger). Toch wel een doorbraak. Het werd zelfs even genoemd tijdens de opening.

Ook aanwezig was Francisca Pattipolohy (93 jaar), een vrouw die de koloniale realiteit (Lees: wreedheid) aan den lijve heeft ondervonden.

Maar al die confronterende foto’s ten spijt, het was voor mij een tentoonstelling die zich in de lijn stelt van het door de overheid gefinancierde onderzoek naar oorlogsmisdaden in 1945-1949, waar Pondaag en Pattipilohy zich al geruime tijd tegen uitspreken, zonder dat ze overigens een fatsoenlijk podium krijgen. 

Wat mij opvalt is dat het benoemen van de heftigheid van het kolonialisme tegenwoordig een acceptabele mening is. Het is alsof de Nederlanders zich voor het eerst realiseren dat het toch wel bruut was. De curatoren van deze tentoonstelling lijken te denken dat door het gebruik van confronterende beelden het dan niet koloniaal kan zijn. Terwijl ze ook zouden moeten invoelen dat al die heftige en vernederende foto’s heel confronterend zijn als je niet-wit bent. Zo banjeren ze ook over trauma’s heen. In een gesprek met de directeur probeerde Pondaag dit punt te maken, hij zag de slachtoffers waar zijn stichting voor opkomt niet respectvol vertegenwoordigd in deze tentoonstelling.

Toen ik de begeleidende tekst las over de Bersiap (Uiterst gewelddadige periode van 1945-1947 tussen Nederland en Indonesië), wist ik genoeg … ‘violence on both sides’… Met dat principe probeert Nederland al heel lang recht te praten wat krom is.

Over de tentoonstelling en de gastredacteur (Red.)
Met Dossier Indië toont het Wereldmuseum de geschiedenis van het gekoloniseerde Indonesië van de laatste 100 jaar. De vroegste foto’s schetsen een droombeeld van een prachtig Indie. De tentoonstelling laat zien hoe er door fotografen uit de negentiende eeuw bewust en onbewust een mythisch beeld van de kolonie werd gecreëerd. Aan het einde van de negentiende en in de twintigste eeuw veranderden de foto’s van karakter en ontstaat er een scherper beeld van de maatschappelijke verhoudingen. Het perspectief verschuift van de Nederlandse kolonialen naar de gekoloniseerde Indonesiërs. De tentoonstelling is te zien vanaf 2 oktober in het Wereldmuseum in Rotterdam.

Marjolein van Pagee is fotograaf, historicus en publicist. Ze volgde een master koloniale Wereldgeschiedenis aan de Universiteit van Leiden. 

zondag 8 september 2019

Zelfreflectie nodig in de Kunsten

Door Ernestine Comvalius (gastredacteur)

"Het diversiteitsbeleid in de cultuursector is faliekant mislukt.” Deze opvallende zin stond vorige maand in een artikel van NRC (Stop met opdringen witte cultuur) en is van Clayde Menso en Melle Daamen. Allebei hebben ze ruimschoots hun sporen in de culturele sector verdiend, onder meer als theaterdirecteur. Ze schrijven verder dat niet alleen qua publiek maar ook wat betreft organisatie gesubsidieerde theaters, concertzalen en musea, overwegend witte bolwerken blijven. Bovendien hekelen ze de argumenten die de gevestigde instellingen opvoeren om het diversiteitsbeleid echt vorm te geven. Zoals:  ‘Ze zijn er niet. Ze willen of kunnen niet. We hebben meer tijd, geld en best practices nodig.‘

Ernestine Comvalius



Als theaterdirecteur ben ik 20 jaar getuige van en deelnemer aan de discussie over de noodzaak van diversiteit en inclusie in de kunstensector. Het is verbluffend dat de excuses als een mantra worden herhaald. Terwijl ik dit schrijf hoor ik de echo van degenen die vinden dat er wel stappen zijn gemaakt. Er zijn nieuwe personen van kleur aangetreden als managers, de biastrainingen van bijvoorbeeld de Nederlandse Associatie voor Podiumkunsten worden goed afgenomen en er zijn legio voorbeelden van goede initiatieven.

De conclusie van Menso en Daamen dat het diversiteitsbeleid is mislukt, komt bij sommigen hard aan. De vraag is of er fundamenteel iets is veranderd in de afgelopen 20 jaar en of we blij moeten zijn met goede intenties, tijdelijke initiatieven en de trage stappen vooruit. Vele directeuren in de kunstwereld verkrampen bij de onvermijdelijke vernieuwing die nodig is om de organisatie en de programmering inclusief, representatief en relevant te maken dan wel te houden. Continu klaagt men over ‘een taak erbij’ of men noemt het ‘een verzwaring’ of dat het is ‘opgelegd door de gemeente’.

Ik neem deel aan verschillende directieoverleggen in Amsterdam en daarbuiten en hoor de weerstand en het gesteun aan. Ik denk niet dat men erbij stilstaat wat dit voor mij en andere personen van kleur in leidinggevende posities betekent. De gemeenschappen waar wij uit voortkomen worden enorm geproblematiseerd door personen die machtsposities bekleden. Meestal laten wij niet merken dat dit ons raakt. Beheerst gaan we het gesprek aan en geduldig verwoorden wij onze visie. Dat heb ik 20 jaar lang gedaan maar nu kies ik er voor om deze gesprekken niet meer lijdzaam te ondergaan. Ook al ben ik negen van de tien keer de enige zwarte vrouw in het gezelschap, dan nog zal ik de kritische vraag stellen: “Hoezo een taak erbij?” 

Niet zo lang geleden sprak een theaterdirecteur in een vergadering haar ongenoegen uit over jonge talenten van kleur omdat ze volgens haar altijd vinden dat ze gediscrimineerd worden en dat er altijd zo’n spanning ontstaat bij een grapje over ras of afkomst. Waarom kunnen ze niet alles van zich afzetten en gewoon doen, vroeg ze. Wat mij betreft laat ze hiermee zien dat ze een gebrek heeft aan historische kennis, geen inzicht heeft in bestaande machtsstructuren en iets tekort komt aan interculturele sensitiviteit.
  
Een ander voorval is de roep van een theaterdirecteur tijdens een conferentie. Volgens hem zou het fijn zijn als zwarte makers universele stukken produceerden die niet telkens het zwart-witprobleem adresseerden of hun positie in de samenleving. Ook deze spreker had geen besef van het dominante superieure perspectief van waaruit hij sprak. Universeel wordt gedefinieerd vanuit een westers perspectief. Het doet mij denken aan het interview met Toni Morrison waarin haar gevraagd wordt of zij ooit van plan is om witte personages centraal te stellen in haar boek. Haar antwoord is: begrijp je hoe racistisch deze vraag is. Zou je aan een witte schrijver ooit vragen wanneer hij van plan is om eindelijk eens over zwarte personages te schrijven? De vraag impliceert dat Morrison pas dan de status van een schrijver waard is. Menso en Daamen zijn voorstander van een ‘beleid dat gericht is op het bieden van ruimte aan verscheidenheid en (echte) diversiteit.’ Zij pleiten voor de bereidheid om macht en middelen te delen.

Met de voorbeelden die ik hierboven heb beschreven wil ik aantonen dat zolang er sprake is van superioriteitsdenken en een gebrek aan echte belangstelling voor andere kunstuitingen en perspectieven, de gewenste radicale verandering en de bereidheid om macht en middelen te delen zal uitblijven of in beperkte mate een kans zal krijgen. De vraag is in hoeverre de kunstwereld onderkent dat er sprake is van een dominant westers perspectief en in hoeverre men bereid is om daar kritisch op te reflecteren en op gelijkwaardige wijze met cultureel diverse makers in dialoog te gaan en andere perspectieven toe te laten. De instellingen binnen de kunstsector die niet sneller gaan meebewegen met de veranderende samenleving, kunnen op termijn hun relevantie voor grote delen van de samenleving verliezen en daarmee komt ook hun bestaansrecht in gevaar.

Touria Meliani, wethouder cultuur in Amsterdam, heeft in haar contourennota aangegeven dat representatie en inclusie leidend zijn in het Kunstenplan en dat zij voorstander is van een eerlijker verdeling van publieke middelen. De roep uit het kunstveld om meer geld als voorwaarde voor diversiteit en inclusie was teleurstellend, evenals de achterhaalde en uitgekauwde suggestie dat diversiteit en inclusie ten koste gaan van de kwaliteit in de kunsten. 

Vanuit het Cultuur Consortium Zuidoost, aangevoerd door CBK Zuidoost, Imagine IC en het Bijlmer Parktheater, hebben wij afstand genomen van dit geluid en een eigen reactie uitgesproken tijdens de vergadering van de Raadscommissie cultuur. Samen vertegenwoordigen wij 60 jaar ervaring op het gebied van programmering met én autonome kwaliteit én breed publieksbereik, betoogden wij. Voor ons zijn representatie en inclusie gedurende al die jaren de rode draad door ons werk. Onze expertise bouwden wij op in een tijd waarin de kunstensector neerkeek op ons werk in Amsterdam Zuidoost. Overigens hebben wij tijdens die raadsvergadering onze bereidheid uitgesproken om kennis te delen.  

Diversiteit en inclusie gaan over machtsdeling en representatie, maar vooral ook over de verrijking en vernieuwing van de kunsten in een onafwendbare ontwikkeling waarin de kansen voor het oprapen liggen. Daarvoor is zelfreflectie nodig, dat continue durven bevragen van gehanteerde referentiekaders. En niet te vergeten, de verbeelding. Is verbeeldingskracht niet een kernkwaliteit van de kunsten?